
Ik fietste wel eens… maar ik was geen fietser
Mijn eerste serieuze fietstocht eindigde met ontstoken buikspieren en het idee dat fietsen absoluut niet mijn sport was.
Ik had een racefiets gekocht en was klaar voor mijn eerste fietstocht. Het werd meteen een avontuur van formaat: een rit van Parijs naar onze auto, ruim 100 kilometer. Ik kende Joost nog niet zo lang. Hij moest de auto van een vriend naar Parijs brengen en vond het een leuk idee als wij onze eigen auto zo’n 100 kilometer verderop zouden laten staan en daar naartoe terug zouden fietsen. Joost is ex-topsporter, shorttracker, en heeft geen idee wat normale mensen aankunnen. Ik had werkelijk geen flauw idee waar ik aan begon.
De rit zou ongeveer 100 kilometer zijn. Het plan was genieten van de prachtige omgeving. Maar in Frankrijk is het natuurlijk niet vlak. Ik heb werkelijk niet één stukje natuur gezien. Ik kan me niks anders herinneren van de rit dan mijn fietsstuur en de achterkant van Joost.
Tijdens het fietsen, terwijl ik het gevoel had dat ik de benen uit m’n lijf trapte, zei hij nog: “We moeten wel doorfietsen, anders wordt het zo laat.” Ik zei niets. Ik trapte door. Stoer zijn voor je nieuwe liefde, hè? Stoppen kwam niet in me op.
Toen we eindelijk bij de auto aankwamen — het werd uiteindelijk zo’n 125 kilometer — kon ik letterlijk niet meer rechtop staan. Later bleek waarom: mijn buikspieren waren ontstoken. De huisarts vertelde dat ik mijn maagwand had leeggetrokken door gewoon veel te ver over mijn grens te gaan. Stoer? Nee. Leerzaam? Zeker.
Je begrijpt dat deze rit er niet voor heeft gezorgd dat ik fietsen leuk vind. Daarna fietste ik nog heel af en toe. Elk jaar één kort oefenritje en één vaste toertocht: De Toer du Tour, een tocht die mijn familie ieder jaar organiseert. In het begin deed ik 30 kilometer mee, later werd dat 60. Geen schema, geen training, gewoon één keer per jaar even fietsen.
Waarom zo weinig? Geen zin, weinig tijd, kleine kinderen… of misschien vond ik fietsen gewoon niet zo leuk. Het evenement zelf daarentegen vond ik wél geweldig. De gezelligheid, samen iets doen. En ja, ik heb altijd een beetje last van FOMO.
Zo ging het eigenlijk altijd bij mij. Ik wil overal aan meedoen, maar niet trainen of opbouwen. Lui? Misschien een beetje. Maar vooral: ik heb een prikkel nodig. Iemand die me meeneemt, of een extreem doel. Dat zijn mijn triggers.
Joost en ik stapten ook af en toe samen op de mountainbike. Met de kinderen in de fietskar. Maar ook daar was ik meestal snel klaar mee. Ik was vaak moe en dacht dat fietsen gewoon niets voor mij was. Maar Joost bleef het proberen, want hij was er gek op. We namen zelfs de fietsen mee op onze vakanties. Het bleven korte ritjes. Achteraf gezien was het niet het fietsen dat het probleem was, maar hoe ik fietste: onregelmatig, zonder routine, en elke keer weer over mijn grens om met Joost mee te kunnen. Wat natuurlijk nooit haalbaar zou zijn. Voor hem was het niks, voor mij voelde het loodzwaar. Zo werd ik niet beter — en al helemaal niet blijer. Fietsen was dus niet mijn ding.

Pas veel later kwam ik erachter dat ik fietsen wél leuk vindt. Ik begon te begrijpen dat vooruitgang niet zit in harder fietsen, maar in luisteren naar je eigen lijf. Dat je ook rustig kunt fietsen en van de natuur kunt genieten. Het omslagpunt voor mij was pas toen ik in Oostenrijk woonde. Waar ik leerde genieten van de natuur. Langzaam fietsen, om je heen kijken en foto's maken. Stoppen mag, pauzes mag. Dat inzicht kwam niet in één keer. Maar dit was het begin van mijn liefde voor fietsen.









